Menu Sluiten

DMX lichtsturing

DMX is de taal waarmee een lichtbesturing (de “lichtsturing”) praat met je lampen en effecten. Met een lichtsturing — een paneel met schuiven en knoppen, of een programma op je laptop — bepaal je welke lamp welke kleur, helderheid en beweging krijgt. Op deze pagina leggen we uit hoe dat werkt, hoe je alles aansluit, wat een DMX-adres is en waarom het bij een moderne show vaak handig is om met software te werken.

Bax Music | De specialist in verlichting
Bax Music | De specialist in verlichting

Hoe werkt DMX?

Een DMX-lichtsturing met schuiven, scene-knoppen en een joystick
Een eenvoudige hardware-lichtsturing: schuiven (faders), scene-knoppen en een joystick. Dit model heeft 16 kanalen per apparaat.

DMX (officieel DMX512) is een vaste afspraak over hoe je lichtapparatuur aanstuurt. De lichtsturing stuurt een stroom getallen naar je lampen. Elk getal hoort bij één kanaal en kan een waarde krijgen van 0 tot en met 255. Zo kan de lichtsturing aan een LED-lamp laten weten: “rood op 100 procent, groen uit, blauw op de helft”.

Een DMX-lijn heet een universe en heeft precies 512 kanalen. De signalen lopen via een kabel van de lichtsturing naar het eerste apparaat, van daar naar het tweede, enzovoort. DMX levert alleen besturingssignalen. De stroom voor elke lamp regel je dus apart.

Een apparaat dat je met DMX aanstuurt noemen we een fixture. Dat is gewoon een ander woord voor “lamp of effect”. Voorbeelden zijn een LED-par, een moving head (een lamp die kan draaien en kantelen), een LED-bar, een rookmachine of een stroboscoop. Meer over LED-parren lees je op de pagina over LED parren.

LED-parren op een balk, met verschillende kleuren licht
LED-parren zijn voor beginners de meest gebruikte lampen. Hier vier stuks op een balk.

Aansluiten: kabels, in en uit, terminator

Elke DMX-fixture heeft een DMX-ingang (in) en een DMX-uitgang (uit), met XLR-connectoren. Je sluit alles in een ketting aan (een “daisy chain”):

  1. Van de DMX-uitgang van je lichtsturing gaat een kabel naar de DMX-ingang van het eerste apparaat.
  2. Van de DMX-uitgang van het eerste apparaat gaat een kabel naar de ingang van het tweede.
  3. Zo ga je door tot en met het laatste apparaat.

Je mag een DMX-lijn niet zomaar met een Y-splitter opdelen. Wil je het signaal in meerdere takken verdelen, gebruik dan een DMX-splitter.

3-pins of 5-pins?

De officiële DMX-standaard gebruikt 5-pins XLR-connectoren. In de praktijk hebben veel apparaten, zeker in de budgetklasse, 3-pins XLR. Beide komen voor en je kunt ze met een kleine verloopkabel (adapter) aan elkaar koppelen. Met een 3-pins kabel is het belangrijkste dat je hem alleen voor DMX gebruikt. Als je DMX per ongeluk op geluidsapparatuur aansluit (of andersom), kan er schade ontstaan. Label je DMX-kabels daarom duidelijk.

DMX-kabel of microfoonkabel?

Voor een kleine show met korte kabels werkt een gewone XLR-microfoonkabel vaak prima. Voor langere lijnen of veel apparaten is een echte DMX-kabel beter: die is gemaakt voor dit soort signalen, waardoor je minder kans hebt op storing en flikkerende lampen.

De terminator

Bij het laatste apparaat in de ketting plaats je een terminator: een XLR-stekker met een kleine weerstand erin (meestal 120 ohm), die je in de DMX-uitgang van het laatste apparaat steekt. Zonder terminator kan het signaal terugkaatsen aan het einde van de kabel, waardoor lampen kunnen flikkeren of onverwacht reageren. Bij een korte lijn gaat het vaak ook zonder goed, maar een terminator is goedkoop en voorkomt veel gedoe.

Hoeveel apparaten kan ik koppelen?

Een DMX-lijn is bedoeld voor maximaal 32 apparaten. Heb je er meer, of lange kabels, dan gebruik je een DMX-splitter of -versterker om het signaal te verdelen en op te frissen.

DMX-adres en kanalen

Dit is het onderdeel waar beginners het vaakst de fout in gaan, dus lees dit rustig door.

Elke functie van een lamp heeft een eigen kanaal. Een eenvoudige LED-par heeft bijvoorbeeld kanalen voor rood, groen en blauw, en vaak ook voor helderheid (dimmer) en stroboscoop. Een moving head heeft er veel meer: voor kleur, gobo (het figuurtje in de lichtbundel), draaien (pan), kantelen (tilt), helderheid en meer.

Het DMX-adres (ook wel startadres) is het nummer van het eerste kanaal van een lamp. Dat stel je in op de lamp zelf, met een display of met kleine dip-schakelaars. De lamp luistert dan naar dat kanaal en de kanalen erna.

Veel lampen hebben meerdere modes (standen), bijvoorbeeld “3 kanalen” of “7 kanalen”. Hoe meer kanalen, hoe meer je kunt regelen. Het aantal kanalen kies je op de lamp en moet kloppen met wat je in de lichtsturing hebt ingesteld.

Voorbeeld

Stel, je hebt twee LED-parren (elk 4 kanalen) en twee moving heads (elk 12 kanalen). Je geeft elk apparaat een startadres waarbij ze elkaar niet overlappen:

Apparaat Kanalen Startadres Gebruikt kanalen
LED-par 1 4 1 1 t/m 4
LED-par 2 4 5 5 t/m 8
Moving head 1 12 9 9 t/m 20
Moving head 2 12 21 21 t/m 32

Je kunt het zien als een straat met huisnummers: elk apparaat woont in een rij huisjes en jij geeft het het eerste huisnummer van die rij. Het tweede apparaat begint pas na de laatste woning van het eerste. Geef je twee lampen hetzelfde adres, dan doen ze precies hetzelfde. Dat kan handig zijn als je ze samen wilt laten werken, maar niet als je ze apart wilt besturen.

Eenvoudige lichtsturingen hebben vaste blokken

Bij goedkopere hardware-lichtsturingen is het aantal kanalen per apparaat vaak vast, bijvoorbeeld 16 (zoals bij de lichtsturing op de foto hierboven). Elk apparaat reserveert dan 16 kanalen. Het eerste apparaat zet je op adres 1, het tweede op 17, het derde op 33, enzovoort. Je lamp gebruikt er misschien maar 4 van de 16, maar de rest blijft voor dat apparaat gereserveerd. Bij het model op de foto kun je zo 12 apparaten aansturen. Bij software of duurdere sturingen stel je per apparaat in hoeveel kanalen het nodig heeft, en kun je dus veel meer lampen kwijt.

Van 0 naar 255: wat doet een schuif?

Elk kanaal heeft een waarde van 0 tot en met 255, dus 256 stapjes. Bij 0 staat de schuif onderaan (uit of 0 procent), bij 255 helemaal open (100 procent). Zo bepaal je hoe fel de rode leds van een LED-par branden. Staat de schuif halverwege (ongeveer 128), dan branden ze op ongeveer de helft.

Kleuren mengen

Een LED-par mengt licht van rode, groene en blauwe leds. Let op: dit werkt anders dan het mengen van verf. Bij licht geldt:

  • rood + groen = geel
  • rood + blauw = paars (magenta)
  • groen + blauw = lichtblauw (cyaan)
  • rood + groen + blauw = wit

Met de helderheid per kleur maak je alle tussenkleuren, zoals roze (veel rood, wat blauw en een beetje groen). Veel LED-parren hebben ook een apart kanaal voor wit of amber voor mooiere kleuren.

Bij een moving head werkt het net iets anders

Bij een moving head kiezen bepaalde waardebereiken een bepaalde kleur of gobo uit een wiel. Bijvoorbeeld: 0–10 is wit, 11–20 is rood, 21–30 is groen. Welke waarde bij wat hoort, staat in de handleiding. Voor de beweging gebruik je de pan (links-rechts) en tilt (boven-onder) kanalen; de helft van de schuif is dan ongeveer het midden. Veel moving heads gebruiken voor pan en tilt twee kanalen per beweging (een “grof” en een “fijn” kanaal) voor vloeiender bewegen. Dat verhoogt het aantal kanalen dat je moet reserveren.

Soorten lichtsturing

Twee mensen programmeren licht met software op een laptop; achter hen brandt roze licht
Lichtbesturing met software op een laptop is voor een grotere show vaak veel handiger dan met schuifjes.
  • Hardware-lichtsturing: een paneel met schuiven en knoppen. Makkelijk te begrijpen en snel op te zetten. De goedkopere modellen hebben een vast aantal kanalen per lamp (zie hierboven) en weinig opslag. Grotere consoles kunnen veel meer, maar kosten ook veel meer en zijn lastig om mee te beginnen.
  • Software op laptop of computer: je sluit een USB-DMX-interface aan (een doosje dat de computer omzet naar DMX) en bedient je lampen met een programma. Bekende voorbeelden zijn het gratis QLC+ (Windows, Mac en Linux), MagicQ en voor Mac Lightkey. Je kiest je lamp uit een lijst (een fixture-profiel), en het programma weet dan zelf welke kanalen erbij horen. Veel makkelijker dan alles met de hand instellen.
  • Muziekgestuurd licht voor dj’s: sommige dj-software en dj-controllers sturen DMX-licht aan op de maat van de muziek, bijvoorbeeld via SoundSwitch in rekordbox (daar heb je een geschikt abonnement en een geschikte DMX-interface voor nodig); sommige controllers, zoals de Pioneer DDJ-FLX10, hebben een DMX-uitgang.
  • Zonder lichtsturing: veel LED-parren en moving heads hebben ingebouwde programma’s (automatisch of op geluid) en kunnen met elkaar samenwerken in master/slave-modus. Voor een eenvoudig feestje kan dat voldoende zijn.

Programmeren: scenes en chases

De meeste lichtsturingen kun je programmeren met twee soorten programma’s:

  • Een scene is een stilstaand “plaatje”: een vaste instelling van alle lampen. In scene 1 zijn bijvoorbeeld LED-par 1 rood, par 2 groen, par 3 blauw en par 4 geel. In scene 2 maak je ze roze, lichtblauw, zeegroen en paars. Selecteer je scene 1, dan zie je de eerste kleuren; kies je scene 2, dan de tweede.
  • Een chase is een reeks scenes die automatisch na elkaar wordt afgespeeld. Je bepaalt zelf hoe lang elke stap duurt en hoe vloeiend de overgang is.

Alles met schuifjes programmeren kost veel tijd, zeker met moving heads, waar je kleur, gobo, positie en helderheid per stap instelt. Daarom kiezen steeds meer mensen voor software: die heeft kant-en-klare effecten (zoals regenbogen of lopende lichten), laat je op groepen lampen werken en onthoudt alles. Probeer eerst eens gratis software als QLC+ voordat je geld uitgeeft aan een duur paneel.

Groter bouwen: universes, Art-Net, sACN, RDM en draadloos

Meer dan 512 kanalen

Een universe heeft 512 kanalen. Gebruik je daarvan meer, bijvoorbeeld bij veel moving heads (die 16 kanalen of meer per stuk kunnen gebruiken), dan heb je een tweede, derde of meer universes nodig. Een lichtsturing met meerdere DMX-uitgangen kan dat, of je gebruikt een netwerkoplossing.

Art-Net en sACN

Art-Net en sACN (streaming ACN) zijn manieren om DMX over een gewoon computernetwerk (ethernet) te sturen. Zo kun je veel universes via één netwerkkabel versturen. Bij de lampen of op een podiumpunt zet een node (een omzetter) het netwerksignaal weer om naar gewone DMX. Dit zie je vooral bij grotere shows en vaste installaties. Gebruik hiervoor liefst een apart netwerk, zonder internet en andere apparaten.

RDM

RDM (Remote Device Management) maakt van DMX een tweewegverbinding: de lichtsturing kan de apparaten opvragen en bijvoorbeeld hun DMX-adres op afstand instellen. Handig als je lampen hoog hangen. Het werkt alleen als de lichtsturing en alle lampen en splitters RDM ondersteunen.

Draadloos DMX

Draadloos DMX gebruikt een zender en ontvangers, zodat je geen kabels hoeft te leggen. Handig bij een lampenset die je vaak verplaatst of op plekken waar kabels lastig zijn. Het kan wel gevoelig zijn voor storing van andere draadloze apparaten.

Het doet het niet: problemen oplossen

  • Lampen flikkeren of doen raar: controleer de kabels en plaats een terminator in de laatste uitgang. Probeer een andere kabel.
  • Eén lamp reageert niet: klopt het DMX-adres? Staat de lamp in de juiste mode (aantal kanalen)? Heb je in en uit niet verwisseld?
  • De lampen na een bepaald punt doen niets: een kabel of uitgang is defect; test door die lamp over te slaan of de kabel te vervangen.
  • Alles reageert verkeerd: controleer of je lichtsturing en je lampen op hetzelfde aantal kanalen zijn ingesteld.
  • Splitter nodig? Bij veel apparaten of lange kabels kan een DMX-splitter het signaal verbeteren.
Bax Music | De specialist in verlichting
Bax Music | De specialist in verlichting

Verder lezen en huren

Twijfel je welke lichtsturing of lampen je nodig hebt? Huur eerst eens een set bij een van de verhuurbedrijven, of bekijk de drive-in shows die licht en geluid meebrengen en bedienen. Meer over de lampen zelf lees je bij LED parren en Moving heads. Welke DMX-kabels en stekkers je nodig hebt, staat op Kabels en aansluitingen.