Menu Sluiten

Kabels en aansluitingen

Bij elke opbouw begint het met kabels. Een verkeerde kabel of stekker geeft brom, ruis of in het ergste geval schade aan je apparatuur. Op deze pagina leggen we in gewone taal uit welke aansluitingen je tegenkomt in licht en geluid (XLR, jack, cinch, speakON, powerCON en DMX), waar je ze voor gebruikt en hoe je ze niet door elkaar haalt.

Gebalanceerd of ongebalanceerd?

Dit is de eerste term die je moet kennen, want hij bepaalt welke kabel je mag gebruiken.

  • Ongebalanceerd: de kabel heeft twee aders: een voor het signaal en een voor de afscherming (de “massa”). Dit werkt prima over korte afstanden, bijvoorbeeld van een gitaar naar een versterker. Bij lange kabels vangt de kabel storing op, zoals brom en gekraak.
  • Gebalanceerd: de kabel heeft drie aders. Het signaal loopt twee keer mee, de tweede keer omgekeerd. Het apparaat aan het eind zet dat weer recht en daarbij verdwijnt de storing die onderweg op beide aders is gekomen. Daardoor kun je met gebalanceerde kabels tientallen meters overbruggen.

Een vuistregel: gebruik voor alles wat langer is dan een paar meter, en altijd voor microfoons, een gebalanceerde verbinding.

XLR: de standaard voor microfoons en lijnsignalen

Een XLR-kabelconnector (female, 3-polig) van Neutrik
Een XLR-connector (female). Je herkent hem aan de drie gaatjes en de vergrendeling. (Foto: Neutrik.)

De XLR-connector is de standaard in de geluidswereld. Hij heeft drie pennen en een klikvergrendeling, zodat hij niet uit zichzelf losraakt. Op de pennen zit het volgende:

  • pin 1: de afscherming (massa);
  • pin 2: het signaal (“plus”);
  • pin 3: het omgekeerde signaal (“min”).

Die indeling (pin 2 als plus) is vastgelegd in de internationale afspraken voor professionele audio, onder andere AES14. Daardoor kun je kabels van verschillende merken gewoon door elkaar gebruiken.

Male en female

Een XLR bestaat in twee uitvoeringen: male (met pennen) en female (met gaatjes). De vuistregel is: uitgangen zijn male, ingangen zijn female. Een microfoon heeft een male uitgang, dus de kabel heeft aan die kant een female stekker. Aan de andere kant heeft de kabel een male stekker, die past in de female ingang van de mixer. Zo kun je een kabel nooit verkeerd om aansluiten.

Waar gebruik je XLR voor?

  • microfoons naar een mixer of stagebox;
  • de uitgangen van een mixer naar actieve luidsprekers;
  • verbindingen tussen mixer, dj-controller en luidsprekers;
  • met een 5-polige variant ook voor DMX (zie DMX-kabels).

Jack: gitaar, keyboard en hoofdtelefoon

Een 6,3 mm stereo jackplug (TRS) van Neutrik
Een 6,3 mm stereo-jackplug (TRS): tip, ring en hals. (Foto: Neutrik.)

De jackplug is de bekende ronde stekker. Er zijn drie maten: 6,3 mm (de “grote jack”), 3,5 mm (de “mini-jack” van je telefoon en laptop) en 2,5 mm (zelden). Bij de grote jack zie je op de plug een of twee ringetjes. Die bepalen wat de plug kan:

  • TS (tip-sleeve, mono): twee contacten. Dit is een ongebalanceerde verbinding, zoals een gitaarkabel.
  • TRS (tip-ring-sleeve): drie contacten. Dit kan twee dingen betekenen: een stereosignaal (links en rechts, zoals bij een hoofdtelefoon) of een gebalanceerd monosignaal. Welke van de twee het is, hangt af van het apparaat waar je hem op aansluit.

Hier gaat het in de praktijk vaak mis. Een stereo-jack in een ingang die gebalanceerd mono verwacht, geeft een vreemd of zacht geluid. Lees dus altijd op het apparaat of de aansluiting “balanced” of “stereo” is.

Gebruik voor een gitaar of keyboard een afgeschermde instrumentkabel. Een luidsprekerkabel met jackstekkers ziet er hetzelfde uit, maar is niet afgeschermd. Gebruik de twee dus nooit door elkaar: een instrumentkabel is te dun voor een luidspreker, en een luidsprekerkabel geeft brom op een instrument.

Cinch (RCA): de aansluiting van de huiskamer

Cinch heeft een rood en een wit stekkertje (rechts en links). Je ziet het op dj-mixers, versterkers, tv’s en platenspelers. Cinch is altijd ongebalanceerd, dus hou de kabels kort. Wil je een cinch-uitgang (bijvoorbeeld van een mixer) naar de gebalanceerde ingang van een pa-installatie brengen, gebruik dan een adapter of een DI-box (een doosje dat een ongebalanceerd signaal gebalanceerd maakt). Op de pagina over de dj-mixer zie je waar deze aansluitingen op een mixer zitten.

speakON: de stekker voor luidsprekers

Een speakON NL4-kabelconnector van Neutrik
Een speakON-kabelconnector (NL4). Je draait hem een kwartslag vast in de aansluiting. (Foto: Neutrik.)

SpeakON is een vergrendelende stekker van het merk Neutrik, speciaal voor luidsprekers en versterkers. Je steekt hem erin en draait hem een kwartslag vast. Het grote voordeel is dat de contacten verborgen zitten. Op een luidsprekerkabel kan namelijk flinke spanning staan, en daar wil je niet met je vingers aan komen.

  • NL2: twee contacten, voor een simpele aansluiting van een luidspreker.
  • NL4: vier contacten. Dit is de meest gebruikte. Bij een gewone passieve luidspreker worden meestal alleen de eerste twee gebruikt. De rest is voor luidsprekers met meerdere versterkers.
  • NL8: acht contacten, voor grotere systemen.

De aansluitingen op een passieve luidspreker vind je terug op de pagina over luidsprekers, en hoe de versterker erbij hoort leg je uit op de pagina versterkers.

Gebruik echte luidsprekerkabel

Voor luidsprekers heb je een dikke kabel met twee aders nodig, geen microfoon- of instrumentkabel. Een dunne kabel verliest vermogen en kan warm worden. Als vuistregel gebruiken veel techneuten voor korte afstanden (tot ongeveer 20 meter) 2 × 2,5 mm². Voor langere afstanden of grote vermogens neem je een dikkere kabel. Check altijd de aanbeveling van de fabrikant van je luidsprekers.

powerCON en stroom

Een blauwe powerCON-kabelconnector (stroomingang) van Neutrik
Een blauwe powerCON-connector: de ingang voor stroom naar een apparaat. (Foto: Neutrik.)

PowerCON is een vergrendelende stroomstekker, ook van Neutrik, die je veel ziet op lampen, actieve luidsprekers en versterkers. Hij zit vast en komt dus niet per ongeluk los. Er zijn twee kleuren:

  • Blauw: de stroomingang. Hierop sluit je de stroom aan.
  • Grijs: de stroomuitgang. Hiermee geef je de stroom door aan het volgende apparaat (doorlussen).

Belangrijk: de gewone blauwe en grijze powerCON hoort niet onder spanning of belasting in- of uitgestoken te worden. Het is een connector en geen schakelaar. Zet de stroom dus eerst uit, en koppel pas daarna los. Voor het schakelen met stroom zijn er aparte uitvoeringen (powerCON TRUE1). Het merk legt dit uit in de eigen veelgestelde vragen op neutrik.com.

Bij het doorlussen van stroom let je op het totale vermogen: het zijn altijd de dunste kabel en de kleinste zekering die de grens bepalen. Reken dus na hoeveel ampère je aan elkaar hangt en vraag bij twijfel een elektricien. Stroom op evenementen is een vak op zich.

DMX-kabels voor lichtbesturing

Lampen en effecten worden bestuurd via DMX. Dat gebeurt met een kabel die op het eerste gezicht op een microfoonkabel lijkt, maar er niet voor bedoeld is om geluid te vervoeren. Het officiële DMX-aansluittype is een 5-polige XLR, maar veel apparaten hebben een 3-polige XLR. Beide komen voor.

  • Pin 1 is de afscherming, pin 2 en pin 3 dragen het signaal. De pinnen 4 en 5 van de 5-polige variant worden meestal niet gebruikt.
  • Voor lange lijnen is een echte DMX-kabel beter dan een gewone microfoonkabel, omdat hij beter bij het DMX-signaal past. Bij korte kabels of kleine opstellingen gaat het vaak ook goed met een microfoonkabel.
  • Sluit de lijn af met een terminator (een stekkertje met een weerstand van 120 ohm) in de uitgang van het laatste apparaat.

Hoe je lampen aansluit en een adres instelt lees je op de pagina DMX lichtsturing. Over de lampen zelf zie je meer op LED parren en moving heads.

Let op: sluit een DMX-lijn nooit aan op geluidsapparatuur, en andersom. Een mixer kan op de microfooningangen fantoomvoeding (48 volt) zetten, en dat kan DMX-apparatuur beschadigen. Label je DMX-kabels daarom met een eigen kleur.

Gekleurde audiokabels in een patchpaneel van een geluidsinstallatie
Gekleurde kabels in een patchpaneel. Kleuren helpen om signalen uit elkaar te houden. (Foto: cottonbro studio, via Pexels.)

Snel overzicht: welke kabel waarvoor?

  • Microfoon naar mixer: XLR-kabel (male-female).
  • Mixer naar actieve luidspreker: XLR-kabel, of een TRS-jack naar jack als de luidspreker dat heeft.
  • Versterker naar passieve luidspreker: speakON-kabel met luidsprekerkabel.
  • Gitaar of keyboard: afgeschermde instrumentkabel met jack (TS).
  • Dj-mixer naar versterker: cinch of XLR, afhankelijk van de uitgang.
  • Stroom naar lampen en luidsprekers: powerCON of een gewone netsnoer met schuko-stekker, doorgelust via een verdeler.
  • Lampen aansturen: DMX-kabel (XLR 3- of 5-polig).

Praktische tips voor kabels

  • Label je kabels. Kleurtape aan beide uiteinden en een vaste kleur per soort (bijvoorbeeld rood voor DMX) voorkomt veel zoeken en vergissingen.
  • Rol kabels op de juiste manier op. Gebruik de “over-under”-methode (afwisselend een lus naar boven en naar beneden) zodat de kabel niet draait en knikt. Bind hem losjes vast met klittenband.
  • Houd stroom en signaal gescheiden. Leg stroomkabels niet parallel naast microfoonkabels. Moet je elkaar kruisen, doe dat dan haaks.
  • Voorkom struikelgevaar. Gebruik kabelbruggen of tape op looproutes. Een kabel die niemand ziet, is een ongeluk dat nog moet gebeuren.
  • Test voor het feest. Een kabeltester kost weinig en vindt kabels met een slecht contact voordat het publiek er is.
  • Neem reserve mee. Een extra XLR-kabel, een jack-naar-jack, een speakON-koppelstuk en een verlengsnoer redden regelmatig de avond.
  • Trek niet aan de kabel. Pak altijd de stekker vast als je iets loshaalt.

Verder lezen en huren